Gregoriana op de zaterdagmiddag        home

 

Sinds najaar 2002 geeft Gregoriana elke derde zaterdag van de maand (behalve in juli en augustus) een concert in de Amsterdamse Obrechtkerk (achter het Concertgebouw). De concerten beginnen steeds om 17.00 uur en hebben steeds een ander programma. Van 2004 tot 2009 werkte Gregoriana In deze concerten steeds samen met uiteenlopende musici uit Oost en West.

 

Centraal in deze concerten staat het gregoriaans, het oudst overgeleverde Europese muzikale repertoire van substantiële omvang. Dit repertoire is tot stand gekomen in de donkere middeleeuwen (400 tot 800 na Christus) en is in muzieknotatie bewaard gebleven in honderden Europese handschriften uit de negende tot dertiende eeuw.

 

Het gregoriaans kan niet alleen worden gezien als voorloper van de latere Europese muziekgeschiedenis, het is ook, tot op de dag van vandaag, alle grote componisten blijven inspireren tot het schrijven van nieuw werk. Mede omdat de ontstaansperiode van het gregoriaans voorafgaat aan de splitsing van de muziektradities van Oost en West, kan het bovendien gezien worden als voorloper van de latere Oosterse muziekgeschiedenis.

 

Hoewel er zo'n tienduizend gregoriaanse gezangen in muzieknotatie bewaard zijn gebleven, is het niet duidelijk hoe het in de vroege middeleeuwen geklonken heeft. Naar moderne maatstaven zijn de oudste notaties onduidelijk. Wel is duidelijk dat er in de latere traditie allerlei aanwijzingen uit de vroegste bronnen verloren zijn gegaan. Er bestaan dan ook heel verschillende interpretaties van het gregoriaans. Interpretaties bovendien die eigen tradities tot leven hebben gewekt.

 

Het is een van de belangrijkste doelstellingen van Gregoriana op de zaterdagmiddag om zo veel mogelijk recht te doen aan de oudste notaties waarin het repertoire bewaard is gebleven. Gregoriana zoekt daarbij nadrukkelijk de samenwerking met musici uit heel verschillende tradities waarin muzikale fenomenen zijn te vinden die mogelijk parallellen hebben in de oudste bronnen. Vooral de Oosterse mondelinge en de Westerse improvisatietradities lijken daarbij van belang.

 

De afgelopen jaren heeft Gregoriana samengewerkt met musici uit Turkije, Irak, Iran en India en met musici die kunnen improviseren in de klassieke muziek, de jazz en de populaire muziek. Vaak werden daarbij programma's gerealiseerd waarin het gregoriaans op een hoger plan opnieuw tot leven kwam en waarin nieuwe perspectieven werden geopend op de vitaliteit van het repertoire.

 

Een belangrijk maar moeilijk grijpbaar aspect van het gregoriaans betreft het verschil tussen concerten en diensten; tussen "kunst" en "religie". Het gregoriaans is van oorsprong religieuze muziek. Het werd (en wordt) immers gezongen in de eredienst. Het hoort thuis bij gelegenheden waarin rituelen en symbolen samengaan met gezangen, handelingen, lezingen, zorg, opvoeding en informatieoverdracht. Dat zijn misschien niet de eerste associaties bij de moderne concertpraktijk. Toch zijn er in die praktijk (klassiek zowel als populair) allerlei aspecten te vinden die veel meer met de eredienst overeenkomen dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken. Het "sacrale" is met andere woorden niet voorbehouden aan de eredienst, het hoort uitdrukkelijk ook bij de concertpraktijk.

 

Het is juist daarom dat wij het gregoriaans buiten de eredienst een plaats willen geven op het concertpodium. Het is ook daarom dat wij de term "Gregoriaanse Meditaties" hebben vervangen door "Gregoriana op de zaterdagmiddag". Dat dekt immers beter de lading. Het gregoriaans is geen exclusief bezit van kerk of spirituelen. Het modernisme waarin het gregoriaans binnen de kerk een zekere bloei kende, is sinds de zestiger jaren van de twintigste eeuw voorbij. Er zijn vele nieuwe post-moderne contexten denkbaar en realiseerbaar waarin het gregoriaans opnieuw tot zijn recht kan komen, en die vanuit een cultuurhistorisch perspectief misschien wel beter aansluiten bij de situatie van de vroege middeleeuwen. De eredienst bracht toen immers alle facetten van het leven met elkaar in balans. Daar hoorden nog geen islam, jazz of multimedia bij. Het lijkt vanzelfsprekend om dat nu wel te doen.

 

Geert Maessen

Amsterdam, juli 2008

 

home

 

Gregoriaanse Meditaties

de breekbaarheid van een ideaal

 

"God is Schepper. Dat wil niet zeggen dat Hij iets buiten zichzelf tot stand heeft gebracht, maar dat Hij zich heeft teruggetrokken en zo aan een deel van het zijn heeft toegestaan anders dan God te zijn." Simone Weil

 

Men zou de traditionele katholieke liturgie, en daarmee ook het gregoriaans, op kunnen vatten als een goed geöliede machine, als een smetteloze gebedsmolen, ja zelfs als een wezenlijk en noodzakelijk onderdeel van het universum.

 

Elke dag begint met de Lauden en eindigt met de Vespers, waarna hij wordt afgesloten met de Completen. 's Nachts vinden er Nachtwaken plaats, terwijl de dag wordt geleed door de kleine Uren. De week begint met de Mis op zondag. Elke dag van de week heeft verder zijn specifieke betekenis in relatie tot de heilsgeschiedenis. Al deze liturgische momenten worden door het jaar heen vervolgens van verschillende betekenissen voorzien. Een cyclus rondom Pasen, dat samenvalt met het begin van de lente. Een cyclus rondom Kerst, dat net na de donkerste dag van het jaar valt. Op de verschillende dagen van het jaar worden bovendien allerlei mensen en gelegenheden herdacht die van groot belang zijn voor de Kerk.

 

Al deze momenten hebben een uitgekristalliseerde vorm en ontlenen hun zin niet alleen aan de afwisseling van de seizoenen en van dag en nacht, maar ook aan de afwisseling van gebed, werk en ontspanning en aan de relatie van dit alles tot de heilsgeschiedenis. Met de liturgie wordt aan de individuele mens een thuis gegeven in de oneindigheid van het universum. De liturgie geeft daarmee dus een schijnbaar volmaakt antwoord op de vraag naar de zin van het menselijk bestaan.

 

Hoewel dit alles tegenwoordig nauwelijks meer naar waarde wordt geschat, is het ooit de basis van de westerse samenleving geweest. Tegelijkertijd is er echter een merkwaardige keerzijde die juist bij het machinale en noodzakelijke karakter van de liturgie om nuancering vraagt. Die liturgie is er namelijk niet altijd geweest. Ze heeft duidelijk historische dimensies, ze is in de loop der eeuwen gegroeid en op verschillende plaatsen en tijden van een heel ander karakter geweest. Bovendien zijn er verschillende volken en culturen waar men vanuit andere antecedenten tot soortgelijke constellaties is gekomen; men denke daarbij vooral aan hindoeïsme, boeddhisme en islam.

 

In plaats van een antwoord te geven op de vraag naar de zin van het leven, is de liturgie daarom veeleer een uitdrukking van het zoeken naar dat antwoord. Juist in dat zoeken is ze niet gefixeerd in een eeuwig en noodzakelijk zichzelf gelijkblijvende vorm. En juist in dat zoeken is ze kunnen komen tot de schijnbaar volmaakte vormen die we nog kennen. De kracht van de liturgie ligt dus niet in het vinden, maar in het zoeken; niet in het gerealiseerde, maar in het perspectief op iets wat nog niet gerealiseerd is; niet in een gesanctioneerd instituut, maar in een breekbaar ideaal. Zodra de liturgie dat perspectief niet meer kan bieden heeft ze haar kracht verloren, en is ze overbodig geworden.

 

In Nederland heeft de katholieke liturgie zéér veel van haar kracht verloren. Als ik streng tel dan heeft ongeveer één op de miljoen (sic!) Nederlanders in het bovengeschetste parcours een antwoord op de vraag naar de zin van het leven gevonden. Tel ik wat minder streng, dan kom ik misschien tot één op de duizend, maar daarmee is het echt op. Wat er méér mocht zijn, doet wel erg veel water bij de wijn. In andere westerse landen is het niet veel anders gesteld.

 

Het zoeken waarvan de westerse katholieke liturgie sinds halverwege de 20e eeuw blijk geeft, is voor een belangrijk deel een tegemoetkoming aan de leegloop van de kerken. Het is geen zoeken vanuit kracht, maar vanuit zwakte. Het is geen zoeken dat een nieuw perspectief wil vinden, maar een zoeken dat wat vertrouwd was, wil behouden. Zoiets werkt natuurlijk averechts, en dat is dan ook precies wat we de laatste decennia hebben kunnen zien.

 

Ik denk dat het zinloos is om de liturgie "op te leuken" in de hoop dat daarmee de kerken weer vol komen te zitten. Het "vol zitten" van de kerken kan namelijk geen doel op zichzelf zijn. Wat dat betreft kunnen we leren van de massamedia, waar kijkcijfers de programmering bepalen en waar de best bekeken programma's wel erg ver zijn verwijderd van het breekbare ideaal waar de liturgie van leeft.

 

Van de andere kant is het eveneens zinloos om krampachtig vast te houden aan de oude gesanctioneerde vormen waarvan bijna niemand meer de betekenis kent. Als het ideaal van de liturgie toekomst heeft, dan zal het in ieder geval ook gehoor moeten vinden bij de jongere generaties. Ik denk dat het gregoriaans voor dit laatste vele kansen biedt. In onze Gregoriaanse Meditaties proberen wij die op bescheiden wijze zo goed mogelijk te benutten.

 

Om te beginnen proberen wij elke meditatie zodanig vorm te geven, dat die toegankelijk is voor iedereen. D.w.z. dat ook mensen die geen enkele voorkennis hebben van de katholieke liturgie deze meditaties kunnen volgen. Het gregoriaanse repertoire bevat zo'n tienduizend gezangen die voor het merendeel uit psalmteksten bestaan. Rondom een thema is daarom altijd wel een meditatie samen te stellen die als zelfstandig geheel een zinvolle eenheid vormt waarvan de betekenis voor vrijwel iedereen direct duidelijk kan zijn.

 

Vanuit theologisch, historisch en musicologisch perspectief is bovendien duidelijk dat het gregoriaanse repertoire zeer verwant is met verschillende nog steeds bestaande mondelinge liturgische tradities uit jodendom, islam en zelfs hindoeïsme en boeddhisme. Omdat sinds Nietzsche's "dood van God" religie in een verdacht licht is komen te staan, is het van het grootste belang om elke schijn van willekeur en sektarisme te vermijden. Het gaat er daarentegen juist om de principiële overeenkomsten tussen de verschillende wereldreligies te benadrukken en daarmee de afzonderlijke religies uit te tillen boven de eigenaardigheden en toevalligheden van bepaalde volksstammen. In een multiculturele samenleving waarin internet en massamedia toonaangevend zijn geworden, kan men daar niet omheen. Als religie überhaupt zin heeft, en dat is het geval, dan hebben alle wereldreligies dezelfde zin en dan is het dus niet alleen zinloos dat de ene religie zich tegen de andere afzet als alléén zaligmakend, het is zelfs funest voor het verschijnsel religie als zodanig en daarmee wellicht voor het heil van de mensheid.

 

Vanuit deze twee perspectieven is het mijns inziens zinvol, zoniet noodzakelijk, om vanuit de kracht van het ideaal en zonder concessies te doen aan het aantal bezoekers, naar alternatieve vormen te zoeken en de samenwerking aan te gaan met heel andere maar verwante muzikale en religieuze tradities. Dat is precies wat wij in onze meditaties beogen.

 

Geert Maessen
Amsterdam, juli 2004

 

home